Wednesday, July 07, 2004

Blokfluit


















Index

3-inleiding
4-Geschiedenis
5-De familie van de blokfluit
• De eenhandsfluit en de Dordrechtfluit
• De doedelzak
• De Aulos of dubbelfluit
• De flageolet
• De panfluit
• De tin whistle
• De blokfluit
 Geschiedenis
 Soorten
 Houtsoort
 Bouw
 Muziek
12-slotwoord



























Inleiding

Dit eindwerk gaat over de blokfluit.
De blokfluit is een heel oud instrument en daarom heel belangrijk in de geschiedenis van de muziekinstrumenten, doordat men vaak nieuwe varianten bouwt op bestaande instrumenten.
Afkomstig van de blokfluit heb je bijvoorbeeld de doedelzak, de flageolet, de tin whistle, …
Over enkele van deze varianten staat verderop meer uitleg.
Veel plezier met dit eindwerk.



































Algemene geschiedenis





Voor de geschiedenis van de houtblazerfamilie moeten we eigenlijk zo’n 20.000 jaar terugkeren. De eerste instrumenten, waaronder de blokfluit en de dwarsfluit bestonden toen natuurlijk niet uit hout of koper maar uit botten die ze overhadden van de jacht. Ze geloofden dat die instrumenten de boze geesten verdreven.

In de 13de eeuw vond men in onze streken veel tekeningen van de eenhandsfluit. Deze voorloper bespeelde men met 1 hand. De muzikant bespeelde deze fluit terwijl hij met de andere hand op een trommel sloeg. In deze eeuw bespeelde men ook nog een ander soort, de Dordrechtfluit. Het oudste teruggevonden exemplaar van deze fluit is gevonden in Dordrecht. Vandaar ook deze naam.

Later, in de 16de eeuw werden de eisen voor muziekinstrumenten anders. Rijk versierde muziek met een grote omvang vroeg om instrumenten die ook een grote omvang hadden. De blokfluiten uit de 16e eeuw (tenminste het model dat Silvestro Ganassi beschrijft) had dus een omvang van bijna 3 octaven en dat was een enorme uitbreiding. Naast nieuwe typen bleven oude typen ook bespeeld, afhankelijk van waar de spelers zich in Europa bevonden. Naast de Ganassifluit was de meest voorkomende blokfluit een wat zoetere variant van de middeleeuwse fluit, de zg. Renaissance- of Praetorius blokfluit ( genoemd naar Michael Praetorius, een middeleeuws muzikant). Ook werden de blokfluiten in families gespeeld: kleinere en grotere instrumenten ontstonden, die samen een koor vormden dat de in de 16- en 17e eeuw gebruikelijke polyfone muziek kon spelen, al dan niet in combinatie met andere instrumenten als orgel, gamba's, kornetten, violen, luiten, trompetten en trombones.

In de loop van de 17de eeuw kreeg de blokfluit zijn tegenwoordige vorm. De snavel werd geprononceerder en de boring nauwer en conischer (=hij werd kegelvormiger), waardoor de karakteristieke klank ontstond. Ook werden de blokfluiten uit meer delen gebouwd en werd voor het eerst de zgn. dubbel - of barokboring toegepast: de onderste vingergaten bestaan uit elk twee kleinere gaatjes. Door een van deze gaatjes te openen kan men op trefzekere wijze de toon produceren waartoe voorheen een gat half bedekt moest worden. Aan de constructie van dit nieuwe type is de naam van de Fransman Jacques Hotteterre le Romain verbonden. Door die veranderingen werd de blokfluit opeens populair.
In de 18de eeuw was het succes gedaan, de plaats van de blokfluit werd nu ingenomen door de dwarsfluit. Toch werd ze nog redelijk veel bespeeld.
Ook in de 19e eeuw zijn er ontwikkelingen aan de blokfluit geweest, al zijn die nauwelijks bekend. Parallel aan de ontwikkelingen op fluitgebied werden er ook blokfluiten gebouwd met kleppen en kregen de instrumenten een andere klank. Wel speelde de blokfluit in de ernstige muziek een zeer marginale rol. Ook andere verbeteringen werden aangebracht en zo ontstonden instrumenten met hun grote verscheidenheid aan klankeffecten die wij nu kennen. Rond 1900 werden de bespelers van houten blaasinstrumenten als volwaardige en zelfstandige afdelingen in het symfonieorkest beschouwd, terwijl elk van hen ook geacht werd over solistische eigenschappen te beschikken.
In het begin van de 20e eeuw nam de belangstelling toe voor de blokfluit. Speciaal bij de Duitse Wandervögel en in Engeland, waar de belangstelling voor oude muziek toenam, werd het instrument herontdekt. De Duitse jeugdbeweging omarmde de blokfluit omdat het instrument werd geassocieerd met eenvoud en puurheid en met een gezonde geest. In deze tijd werd er ook een blokfluit ontwikkeld met iets vereenvoudigde grepen (de Duitse boring). De kwaliteit van de meeste instrumenten was toen zeer matig en pas in de jaren 1920-30 werden er meer professionele instrumenten gebouwd. Deze blokfluiten hadden een ander geluid dan de nu meestal gebruikte 'neobarokblokfluiten: een licht hees, rond geluid dat zeer goed mengde, en het zingideaal kon verwezenlijken. Dit zg. zingen op de blokfluit is tot diep in de '60-iger jaren gebruikelijk geweest.

DE BLOKFLUIT VANDAAG
Vandaag is de blokfluit nog altijd belangrijk, vooral als een barok – en een. schoolinstrument. Er zijn o.a. verschillende blokfluitensembles, de belangrijkste hiervan zijn: Praetorius Leiden (het grootste van de reeks),Indigo, Blaes-tuigh, Amarilli, The Fipplers en Ratatouille. En voor de echt liefhebbers zijn er grote evenementen zoals: “Telemann in Dokkum”, “Bach in Dokkum”, “de Open Nederlandse Blokfluitdagen”, “de Blokfluitorkestdag voor de Jeugd” en “het 15de blokfluitfestival”. Net zoals vroeger zijn er nu ook blokfluitisten die experimenteren met nieuwe mogelijkheden voor hun instrument. Daardoor heeft de blokfluit nu een vrij uitgebreid hedendaags repertoire, wat te danken is aan de experimenteerdrang van mensen als Frans Brüggen, Walter van Hauwe en Saskia Coolen. Een wel heel onconventionele figuur in dit experimenteren is Michael Barker. Deze in Nederland woonachtige Amerikaan heeft de midified blockflute, oftewel een blokfluit waarmee hij elektronische klankbronnen kan aansturen en beïnvloeden via de computercode MIDI, ontwikkeld. Hij heeft dus een combinatie van een blokfluit en een synthesizer gemaakt. Natuurlijk zijn er ook hedendaagse componisten die moderne muziek schrijven voor de blokfluit, enkelen hiervan zijn: Makoto Shinohara, Maki Ishii en Ryohei Hirose en Peter Swinnen.








Familie van de blokfluit.
De eenhandsfluit en de Dordrechtfluit.


Deze blokfluiten dateren allebei uit de 12-13de eeuw.
De eenhandsfluit werd vooral door rondreizende muzikanten bespeeld.
Deze speelden dan tegelijk op de fluit, terwijl ze ook nog op een trommel speelden.
Deze fluit had echter wel maar 3 toongaten. Dit nadeel werd echter goedgemaakt door het meespelen met de trommel.

De Dordrechtfluit werd net zoals de eenhandsfluit vooral bespeeld door rondreizende muzikanten, alleen moest deze fluit met 2 handen bespeeld worden. Hierdoor is het echter wel niet mogelijk om ook nog tegelijk op een trommel te spelen. Daarom speelden deze muzikanten meestal met 2.

De Doedelzak
De doedelzak is een dicht familielid van de blokfluit, maar in plaats dat de blokfluit geen enkel riet gebruikt maakt de doedelzak wel gebruik van een enkel of dubbel riet. Ook wordt de lucht in een blokfluit rechtstreeks naar de toongaten geblazen, in een doedelzak wordt daarentegen de lucht vanuit een balg in een aantal van riet voorziene pijpen geperst. Het principe van het luchtreservoir (balg) gaat terug naar het Midden-Oosten. Aangezien de ruimten van de reservoirs te klein waren, ging men ten slotte een leren zak voor dit doel gebruiken. Een of twee van de pijpen waarop een melodie gespeeld kan worden, zijn voorzien van vingergaten; de andere, langere pijpen zonder vingergaten (bourdonpijpen) produceren ieder één toon – grondtoon, kwint of octaaf – en dienen ter begeleiding. De pijpen met vingergaten hebben dezelfde vingerzettingen als een blokfluit.

Het aantal verschillende soorten is enorm. De elementen die kunnen variëren zijn: het aantal speelpijpen (1–3) en bourdons (1–4); het riet, enkel of dubbel; de boring van de pijpen, conisch, cilindrisch of regelmatig.

De doedelzak werd vermoedelijk vanuit Azië geïmporteerd. De Romeinen kenden het instrument reeds vanaf de 1ste eeuw v.C. In de middeleeuwen was het onder verschillende namen over heel Europa verbreid (chevrette, chorus, musa, symphonia). In Groot-Brittannië is de doedelzak een belangrijk instrument in volks- en militaire muziek. Op het continent heeft het instrument nooit zo'n prominentie bereikt, behalve ca. 1700 in Frankrijk, waar het tot het hof doordrong; Lully gebruikte het in het Parijse opera-orkest.

De bekendste landen waar men op de doedelzak speelt zijn:Bulgarije, Frankrijk, Ierland, Italië, Polen, Roemenië, Schotland en Spanje.



De Aulos of dubbelfluit.

Het centrum van de oude Griekse wereld was Athene. De Grieken blonken uit in de architectuur, de beeldhouwkunst, toneel en muziek. Eén van de oudste en bekendste muziekinstrumenten die de Grieken bespeelden was de dubbelfluit of de aulos.
De Grieken geloofden dat de muziek het lichaam en de ziel beter maakte. Zo speelden ze met de aulos over de aangetaste lichaamsdelen van een zieke. De Griekse schrijver Aristoteles schreef :'De aulos is een uitstekend middel om de krankzinnigheid te verdrijven.' Omdat de muziek het karakter van een mens op een goede manier kon vormen was het naast sport één van de belangrijkste vakken op school. Het was belangrijker dan rekenkunde.


De aulos was gemaakt van twee rieten buizen. De muzikant droeg vaak een band rond de mond. Zo werd de druk op de lippen en de wangen wat lichter en werd de mond luchtdicht afgesloten.
De aulos werd voor verschillende gelegenheden gebruikt. Zo liepen Aulosspelers vaak mee in stoeten en speelden ze bij huwelijken of begrafenissen.
Ook in het theater werd de dubbelfluit gebruikt. Ze begeleidden dan toneelspelers die, uitgedost in prachtige gewaden en maskers, dansten en zongen.


De flageolet.


Een ander familielid van de blokfluit is de flageolet. Dit instrument was erg populair in Engeland en Frankrijk, van de 17e tot de 19e eeuw. Het verschil met de blokfluit ontstond in de 18e eeuw toen het mondstuk werd vervangen door een tuit van been of ivoor. De flageolet was voornamelijk een solo-instrument. In orkesten / bands werd hij vaak gebruikt om de hoogste partij te spelen. Er waren twee basistypen: de Engelse flageolet met zes vingergaten, en de Franse met vier vingergaten en twee gaten voor de duimen. Hierboven een plaatje van een flageolet met twee pijpen (dubbele flageolet). Naast de dubbele kwam ook de enkele en de drievoudige flageolet voor.

De panfluit.
Panfluiten bestaan uit een aantal buizen van verschillende lengte die samengevoegd zijn. De buizen, die uit bamboe gemaakt worden, hebben geen gaten voor de vingers en ook de onderkant is dicht. De klank ontstaat door over de bovenkant van de buizen te blazen, het verschil in toonhoogte ontstaat doordat men de buizen een andere lengte gegeven heeft. Panfluiten zijn al meer dan 2000 jaar oud.
Zeer oude exemplaren zijn gevonden in o.a. China, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Peru, naar materiaal en vorm zeer verschillend. De naam 'panfluit' komt uit de Griekse mythologie. Pan was een god die verliefd werd op een nimf. De nimf vluchtte echter, en een andere god die haar beschermde veranderde haar in een stuk riet, zodat Pan haar niet zou kunnen vinden. Pan gebruikte dit stuk riet echter om een 'syrinx' (panfluit) te maken. Hij speelde hierop om zich te troosten.


De tin whistle (ook wel pennywhistle of kortweg whistle genoemd) is een Ierse volksfluit met zes gaten, zonder kleppen. Deze fluit is een heel dichte verwant van de blokfluit, zoals je kunt zien aan de vorm en het bijna identieke aantal toongaten.
Alleen is deze fluit van tin gemaakt i.p.v. hout. Het instrument komt in verschillende groottes voor. Hieronder een tin whistle.





De blokfluit.

Geschiedenis:
Zie p3.
Soorten: De blokfluit bestaat zoals zoveel instrumenten in verschillende soorten. Deze hebben natuurlijk ook verschillende toonhoogtes. Dit komt omdat de lengte van de klankbuis een andere lengte heeft. Hoe groter het instrument, hoe lager de toon. De bekendste 2 zijn de sopraan - en de altblokfluit. Bijvoorbeeld op scholen wordt heel vaak de sopraanblokfluit gebruikt. Deze wordt gebruikt omdat men nog niet zo’n grote vingers nodig heeft en omdat iedereen er wel iets kan op spelen. De altblokfluit is de grotere versie van de sopraan. Hiervoor heb je ook iets grotere vingers nodig omdat de gaten iets verder van elkaar liggen. Naast deze 2 zijn er nog 4 andere blokfluiten die ook nog veel gebruikt worden, de sopranino-, de garklein-, de tenor- en de basblokfluit.De garklein en de sopranino spelen het hoogste van allen. De gewone tenorblokfluit speelt een octaaf lager dan de altblokfluit. Van beide blokfluiten is de laagste toon een F, dus de tenorfluit heeft dezelfde grepen als de altblokfluit. De bas speelt dan nog 1 octaaf lager, hij is ook de grootste.


Houtsoort: Blokfluiten worden eigenlijk al vanaf het begin van hout gemaakt (als je de blokfluiten van bot niet meetelt ). Geschikte houtsoorten zijn pruim, peer, kers en esdoorn. Als je naar de exotische houtsoorten gaat kijken is buxus zeer geliefd. Dat hout is zeer goed luchtdicht, goed bewerkbaar, en geeft een prachtige klank. Het nadeel van buxus is dat de blokfluiten vaak krom worden en het hout is niet in grotere maten verkrijgbaar. Van tropisch hardhout, zoals ebben, palissander en African Blackwood kan een blokfluit worden gemaakt die meestal een hard karakter heeft.Voor het blok moet een andere houtsoort gebruikt worden. Het hout mag maar een heel klein beetje uitzetten als het vochtig wordt, omdat anders de kop van de fluit kan scheuren. Natuurlijk mag het ook niet giftig zijn en moet het zeer glad afgewerkt kunnen worden. Het meest geschikt is virginia ceder, een heel zacht hout met rozerode kleur als het net gesneden is. Jeneverbes kan ook gebruikt worden, maar het is moeilijker om dat glad af te werken.
Bouw: De blokfluit heeft z'n naam gekregen van het zgn. blokje dat in het mondstuk zit. Door dit blokje wordt de lucht gedwongen om door de kernspleet te gaan. Dan komt de lucht bij het labium. Daar gaat de lucht voor een deel naar buiten, de rest gaat trillen in het instrument en er ontstaat geluid. Er zijn acht gaten om de toonhoogte te regelen, 7 aan de voorkant en 1 aan de achterkant (het duimgat). Het kan gebeuren dat een gat half bedekt moet worden. Om dat wat makkelijker te maken, worden er soms op één plaats 2 kleinere gaten vlak naast elkaar geboord, dit gebeurt vaak bij de lage do en re. In plaats van een groot gat half te bedekken, wordt dan 1 van de twee kleinere gaten bedekt. De klank van kleine blokfluiten is doordringend en hoog. De grotere blokfluiten geven een wat zachter geluid.

Muziek: Op de blokfluit kan men vele soorten muziek spelen, maar meestal wordt er barokmuziek op gespeeld. De barok is de tijd tussen 1600 en 1750. De term barok is een achteraf gegeven negatieve benaming voor de periode 1600-1750. Na 1750 wordt de kunst uit de voorgaande periode overdadig en onnatuurlijk gevonden. De muziek vindt men harmonisch verward en melodisch ingewikkeld. Later, in de 19de eeuw, is men anders tegen de Barokmuziek aan gaan kijken en is de negatieve bijbetekenis van de term Barok niet meer van toepassing. De staat in de 17de eeuw was nog steeds een standenmaatschappij, waarbij koning en adel de eerste stand waren, geestelijken de tweede en burgers de derde stand. Maar door de opbloei van de wereldhandel werd de burgerij rijker en steeds beter opgeleid en werd ze dus mondiger. Deze groeiende welstand was één van de oorzaken van het tot bloei komen van een openbaar theater en van het concertleven inde steden, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven. De Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal, monumentale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. In de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies.





























0 Comments:

Post a Comment

<< Home