Wednesday, July 07, 2004

Harmonica

harmonika
harmonika of harmonica, naam van een muziekinstrument dat als voorloper van de accordeon beschouwd wordt, maar daarnaast als zelfstandig volksinstrument is blijven bestaan. De harmonika geeft bij het uittrekken van de blaasbalg andere tonen dan bij het induwen. Het geluid wordt voortgebracht doordat de luchtstroom doorslaande tongen of rieten (dwz. dunne metalen plaatjes, aan één zijde bevestigd, die vrij heen en weer kunnen bewegen) in trilling brengt. Zie ook mondharmonica.

De Hoorn

hoorn [muziek]
INLEIDING

hoorn [muziek], ook waldhoorn (It.: corno; Fr.: cor; Duits: Horn; Eng.: French horn), koperen blaasinstrument met conische, nauwe boring. De lengte van de buis bepaalt de grondtoon, waarop door middel van embouchurewijziging een reeks natuurtonen geblazen kan worden. Aan de smalle zijde wordt een trechtervormig mondstuk geplaatst en aan de brede zijde bevindt zich een wijduitlopende klankbeker. Bij de bespeling wordt de rechterhand in de klankbeker gehouden (waardoor de toonvorming beïnvloed kan worden) en bedient de linkerhand de ventielen.

1. GESCHIEDENIS

Vanaf de oudste tijden hebben volkeren over de hele wereld door de natuur verschafte materialen (o.a. horens van dieren) benut als blaasinstrumenten. Van de enigszins complexere houten hoorn is de alpenhoorn het meest bekend geworden. Van metaal vervaardigde instrumenten werden bij de Assyriërs, Etrusken en Egyptenaren gebruikt voor intochten, religieuze bijeenkomsten, enz. De Romeinen ontwikkelden voor een verder dragende toon een klankbeker, en een omgebogen buis opdat het instrument handzamer was. De Romeinse signaalhoorn heette buccina. Uit de buccina groeide in de middeleeuwen de rondgebogen jachthoorn. Men boog de buis rond, opdat men het instrument over de schouder kon dragen wanneer men te paard zat. Een van ca. 800 tot 1200 uit de slagtand van een olifant fraai vervaardigd hoornachtig instrument noemde men Oliphant. De jachthoorn (It.: corno da caccia; Fr.: cor de chasse; Duits: Jagdhorn; Eng.: hunting horn) was een metalen natuurhoorn (dwz. zonder ventielen); de klankbeker werd naar boven gericht om een groot klankvolume te krijgen. De boring was berekend op een schetterende toon. Vooral in Frankrijk ontwikkelde dit instrument zich. Een zeer grote jachthoorn, die (over het grote hoofddeksel heen) op de schouder gebracht kon worden, heette parforce-hoorn. De beperking van de voort te brengen tonen leidde tot het ontstaan van speciale hoornmelodieën en intervallen. Uit de jachthoorn ontwikkelde zich het instrument met kunstzinnige waarde. Het apart opgezette mondstuk, trechtervormig aan de binnenzijde, veroorzaakte een weke klank. Om de mogelijkheden van het instrument uit te breiden, verlengde men de buis met een zgn. beugel, waardoor de grondtoon lager werd. Op deze nieuwe grondtoon kon weer de reeks natuurtonen gespeeld worden. Voor iedere nieuwe grondtoon had men echter een andere (grotere of kleinere) beugel nodig. Het steeds weer inzetten van deze beugels vergde tijd; hoorncomposities uit die periode tonen duidelijk dat men hiermee rekening hield. De ventielen of pistons brachten hierin uiteindelijk verandering. Na verschillende experimenten (in de 19de eeuw) werden ventielen met nevenbuizen aangebracht, waardoor de hoorn een volwaardig muziekinstrument kon worden. Deze draaiventielen openen of sluiten de toegang naar de nevenbuizen voor de ingeblazen lucht, waardoor de buis meer of minder verlengd wordt. Drie ventielen verlengen de buis resp. met y, 1 en 1y toon (met de combinaties van 2, 2y en 3 tonen). Door deze systematische verlenging van de buis kan een aantal nieuwe grondtonen gevormd worden, met hun reeksen (de grondtoon zelf wordt niet gebruikt). Hierdoor werd de hoorn een chromatisch instrument.

2. TOEPASSING

Tegenwoordig wordt hoofdzakelijk de hoorn in Bes gebruikt (de grondtoon zonder gebruik van ventielen), met een buislengte van 2,75 m; de buislengte van de F-hoorn bedraagt 3,73 m. De klinkende toonomvang van de (transponerende) Bes-hoorn is: E tot bes2 (F-hoorn: B1 tot f2). Een combinatie van beide hoorns is de dubbelhoorn. Hierbij kan door middel van een extra ventiel de Bes- tot F-hoorn verstemd worden. Door het grotere aantal nevenbuizen is het instrument nogal zwaar. Effecten als tongslag (onderbreking van de luchtstroom d.m.v. de tong) zijn ook bij de hoorn mogelijk. Het 'en sourdine' (gedempt) spelen kan geschieden door de hand verder in de klankbeker te brengen, of door gebruik van een speciale sourdine. Aan sommige hoorns is een stopventiel aangebracht waarmee de onzuiverheid gecorrigeerd wordt die ontstaat door het stoppen met de hand. Behalve voor het en sourdine spelen wordt het inbrengen van de hand in de klankbeker ook benut voor nuancewijzigingen. Een tegenovergesteld effect is het 'schetterend' spelen (Fr.: cuivré; Duits: schmetterend; Eng.: brassed).

In het symfonieorkest bestaat de hoorngroep (vier tot acht hoorns) uit hoge en lage blazers, zodat iedere hoornist gewend raakt aan de embouchure van een bepaald register.

Uit de geschiedenis blijkt ook een voortdurende wijziging van de aard van het instrument. Zo is ook de orkesttoepassing de weg gegaan van eenvoudige signalen tot melodievoerend instrument. Een vergelijking van het eenvoudige hoornthema in BeethovensEroïca met de hoornsolo in R. Strauss'Till Eulenspiegel tekent die ontwikkeling duidelijk. Bij de eigentijdse composities wordt meer gebruik gemaakt van effecten als glissando, en sourdine, met de hand op het mondstuk slaan, gebruik van het hoge register, enz. Door de uitbreiding van de mogelijkheden is de hoorn ook meer een solo-instrument geworden. Hoornconcerten schreven o.a. Chevreuille, Flothuis, Joseph Haydn en Michael Haydn, Hindemith, K. Mengelberg, Meulemans, W.A. Mozart, Schuller, R. Strauss, Tomasi en Weber.

3. ANDERE TYPEN HOORN

Althoorn, een speciaal in harmonie- en fanfarekorpsen gebruikt instrument (buislengte 1,77 m) gestemd in Es en met klinkende toonomvang a–a2. Het is geen eigenlijke hoorn, doch behoort tot de saxhoorns. De althoorn gelijkt op de tuba, heeft drukpistons (rechtstandige drukventielen), die voor rechtshandige bespeling zijn aangebracht. De klank is een sext lager dan de notatie. De bezetting is meestal vierstemmig, waarbij althoorn I als solo kan fungeren. De klank is vrij dik, zodat er een streven is de althoorn te vervangen door de (wald)hoorn. Deze is echter moeilijker te bespelen.

Bachhoorn, een kleine hoorn voor het spelen in het hoge register. Bach schreef een corno da caccia voor in zijn Hohe Messe en in het eerste Brandenburgs concert (twee hoorns). Ook Händel maakte gebruik van dit instrument.

Hoorntuba, zie Wagnertuba.

Posthoorn, een natuurinstrument met conisch geboorde buis van ca. 75 cm lengte, zonder pistons of ventielen, waarop de 2de tot de 6de toon van de natuurtoonreeks gespeeld kunnen worden. De windingen zijn meestal rondgebogen. Men gebruikte vroeger de posthoorn op de postkoets en diligence. Mozart componeerde een Serenade, waarin een posthoorn voorkomt.

Stella-hoorn, een hoorn die in fanfare- en harmonieorkest gebruikt wordt, met dezelfde vorm als de gewone hoorn, echter met pistons voor rechtshandig gebruik.


De Hobo

hobo
INLEIDING

hobo (Ital.: oboe; Fr.: hautbois; Duits: Oboe; Eng.: oboe), muziekinstrument, behorend tot de groep houten blaasinstrumenten, waarbij de luchtkolom in het instrument door middel van een dubbelrietblad in trilling wordt gebracht. De buis heeft een nauwe conische boring en aan het einde een enigszins trechtervormig verwijde klankbeker. Het instrument bestaat uit de delen: dubbelriet, stift (waarop het dubbelriet is geplaatst), bovenstuk, onderstuk en beker, en is gewoonlijk van grenadilhout. De toongaten in de 66,5 cm lange buis kunnen door middel van kleppen gesloten of geopend worden, waardoor de luchtkolom verkort kan worden. Het kleppenmechanisme is ingesteld op de toonsoort D. De toonomvang is b (of bes) tot g3. De tonen van cis2 tot g3 worden verkregen door overblazen (wijzigen van de lippenspanning).

1. GESCHIEDENIS

De geschiedenis van de hobo is globaal in twee perioden te delen, van de middeleeuwen tot de 17de eeuw en daarna. Vóór de 17de eeuw kan de pommer (met conische boring en dubbelriet) als belangrijkste voorloper van de hobo beschouwd worden. Het instrument werd in vele afmetingen gebouwd, van contrabas tot sopraan. De kleinere waren vervaardigd uit één stuk, hadden zeven vingergaten en geen kleppen. De grotere bezaten één tot vier kleppen (voor de pink en de duim van de onderste hand). De belangrijkste verschillen van de pommer met het rond 1680 in Frankrijk ontwikkelde instrument (hobo) liggen in de boring, de meerdeligheid, de verfijnde rietconstructie en de embouchure van de laatstgenoemde. Men neemt aan dat de Franse familie Hotteterre een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van de hobo heeft gehad. Ook verdere ontwikkelingen zijn sterk aan Frankrijk gebonden geweest. Vanaf 1700 werden verschillende technische verbeteringen aangebracht. Uitvindingen bij andere blaasinstrumenten (o.a. het Böhm-systeem bij de fluit) hadden ook invloed op de hobo-applicatuur (Buffet, Parijs 1844). Barret en Triébert ontwierpen midden 19de eeuw een hobo van een geheel nieuw type, met nauwe boring en verbetering van het kleppenmechanisme (het zgn. Parijse Conservatoriummodel). In Duitsland was tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw een hobo met wijdere boring algemeen in gebruik; door deze boring was de toon donkerder getint. Dit type is grotendeels verdrongen door de Franse hobo met nauwe boring, die gelijkmatiger is in alle registers en waarbij de hoge en lage tonen gemakkelijker aanspreken. Ondanks de vele verbeteringen in technische uitvoering blijven vrije aanzetten in het hoge en vooral lage register, en bindingen van grote toonafstanden altijd min of meer gevaarlijk. In Nederland hebben Jaap en Haakon Stotijn veel bijgedragen tot verbetering van de prestaties op het instrument.

2. ETNOMUSICOLOGIE

In de volksmuziek van alle landen van Europa kwamen (primitieve) hobo's en hobo-achtige instrumenten veelvuldig voor. Thans is dit niet meer het geval in Noord-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië), daarentegen wel in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa, de Balkan, Griekenland, Italië en Spanje, zij het onder diverse regionale namen en speeltechnieken: bombarde (Bretagne), gaita en gallega (Spanje), piffera en ciaramella (Abruzzen), tontarde (Vendée), zurna (Macedonië), pibcorn (Groot-Brittannië).

In de buiten-Europese muziek komt het instrument voor in Turkije (zoerna), de Arabische wereld (gaita), India (twee typen: shanai en nagasvaram), het Verre Oosten (China: kuan; Japan: hitsjiriki, charoemela; Achter-Indië) en Indonesië (tarompet, slompret). Kenmerkend bij al deze buiten-Europese hobo's is dat zij nimmer solistisch worden bespeeld, maar altijd in combinatie met andere instrumenten (bijv. zoerna + davoel-trommel in Turkije), voorts dat het riet geheel in de mond wordt gehouden, waarbij de wangen als luchtreservoir dienen.

3. TOEPASSING

De eerste werkelijk solistische toepassing van de hobo vindt men bij J.S. Bach, doch daar de hobotoon toen nog vrij scherp was, werden de soli vaak aan de oboe da caccia en de oboe d'amore (zie hierna) toevertrouwd. Händel componeerde al meer voor hobo; Telemann, Loeillet, Haydn en Mozart schreven vele werken voor dit instrument. Als solo-instrument is de hobo in de romantiek op de achtergrond geraakt, maar in het orkest is hij altijd zeer belangrijk gebleven. De toepassing in het orkest was geheel afhankelijk van het klankkarakter van de overige blaasinstrumenten. Vergelijkt men de toepassing bij Bach (Matthäus-Passion) en Gluck(Iphigenie in Aulis) met Mozart (Figaros Hochzeit) en Beethoven(6de symfonie) en in de 19de eeuw met Wagner, R. Strauss, tot in de 20ste eeuw Strawinsky en de contemporainen, dan valt een zich steeds wijzigende toepassing te bespeuren: van een melodische functie bij een aria tot een kleurschildering in het totale orkestpalet.

4. ANDERE TYPEN HOBO

De oboe d'amore (Ital.; Fr.: hautbois d'amour; Duits: Liebesoboe; Eng.: oboe d'amore) is een ca. 72, 5 cm lange hobo, een terts lager gestemd (in A) en transponerend. De toonomvang is gis–cis2. Hij heeft dikwijls een enigszins peervormige klankbeker en het iets grotere riet is bevestigd op een flauw gebogen stift. De klank is iets donkerder dan die van de hobo en heeft een intiem, liefelijk karakter. Vóór de 18de eeuw was het instrument niet bekend. J.S. Bach gaf de oboe d'amore verschillende soli in zijn werken. Het instrument vertoonde toen nog vele technische tekorten, waardoor het na Bach zelden werd toegepast. Nadat de Belgische bouwers Charles Mahillon (1874) en Lorée (1889) van de moderne hobo-applicatuur voorziene instrumenten bouwden, hebben verscheidene componisten het instrument weer voorgeschreven: R. Strauss (Sinfonia Domestica), Ravel(Bolero), Debussy(Gigues), Diepenbrock (muziek bij Elektra).

De althobo of Engelse hoorn (oude naam: oboe da caccia [Ital.: corno inglese; Fr.: cor anglais; Duits: Englisches Horn]), verhoudt zich tot de hobo als de altviool tot de viool; de stemming is een kwint lager. Het instrument heeft dezelfde applicatuur, is echter transponerend. De toonomvang is: e–a2. De buis is 90 cm lang; de klankbeker is peervormig. Het timbre is zeer geprononceerd en heeft een warme, melancholische ondergrond. De althobo wordt zeer veel toegepast als basstem bij twee hobo's of als melodie-instrument bij soli van lyrisch en pastoraal karakter. Reeds tegen het eind van de 17de eeuw werd de althobo gebouwd ter completering van de hobogroep. De ontwikkeling van hobo en althobo ging vrijwel gelijk op. Purcell schreef in zijn Diocletian (1691) reeds de althobo voor, Bach in de Matthäus-Passion. Behalve de benaming oboe da caccia komt ook de naam Taille in Bachs composities voor. Door technische tekorten komt het instrument tot Berlioz sporadisch voor. Berlioz gaf de stoot tot een hernieuwd gebruik, gevolgd door vrijwel alle grote romantici (Dvořák, Franck, Wagner) en in de 20ste eeuw door R. Strauss, Debussy, Ravel en Strawinsky.

Een principieel aan de hobo gelijk instrument – hoewel met een wijdere en sterker conische boring – is de heckelfoon, die voor het eerst geconstrueerd werd door Wilhelm Heckel Sr. in 1904. De lengte van het instrument bedraagt vanaf de stift tot de beker 138,5 cm. Met zijn sombere, dragende klank verschaft dit instrument een effectieve baspartij in het hobo-timbre.


De Horlepijp

horlepijp
horlepijp (Eng.: hornpipe, = lett.: hoornpijp), a. een oud, schalmeiachtig muziekinstrument uit Wales, oorspronkelijk vervaardigd uit twee runderhoorns; b. een Britse zeemansdans in levendig tempo; vroege voorbeelden, als solodans, wijzen op 3/2 of 3/4 maat, einde 18de eeuw op een gesyncopeerde 4/4 maat.

De in Nederland en Vlaanderen wel gedanste horlepiep herinnert in melodie, passen en figuren nog vrij sterk aan zijn Schotse stamvorm. Oorspronkelijk was deze dans alleen op Terschelling bekend. In de Scandinavische landen komen verwante vormen voor onder andere namen.


Keyboard

keyboard
keyboard (Eng., = toetsenbord), elektronisch muziekinstrument (zie elektrofoon) dat is afgeleid van elektronische orgels. Keyboards hebben één of twee klavieren met een omvang van – meestal – vijf octaven. Omdat het voetpedaal (baspedaal) ontbreekt, is elk keyboard voorzien van een ritmesectie en begeleidingsautomaat. Desgewenst kan de linkerhandpartij worden gespeeld met één vinger (éénvingersysteem), waarbij de automaat zorgt voor de volledige akkoorden. De moderne keyboards werken allemaal op basis van digitale technieken.


Kromhoorn

kromhoorn
kromhoorn, uit één stuk hout vervaardigd muziekinstrument in de vorm van een omgekeerde wandelstok en met een overwegend cilindrische boring. Er zijn zes tot acht vingergaten aan de voorzijde, één duimgat aan de achterkant en één of twee stemgaatjes. Het blaasinstrument is voorzien van een dubbel riet, waaroverheen een houten afschroefbare capsule is aangebracht, waarin aan de bovenkant een spleet is gemaakt. De kromhoorn heeft een toonomvang van slechts één none, daar door genoemde capsule overblazen onmogelijk is. De toon is een octaaf lager dan die van een conisch geboord instrument van dezelfde lengte. Over de oorsprong van het instrument is niets bekend. Wel staat vast dat Sebastian Virdung reeds in 1511 spreekt van vier kromhoorns van verschillend formaat. In de 16de en 17de eeuw speelde het instrument vooral in Duitsland een rol; daarna verdween het. Kromhoorn is tevens de naam van een orgelregister, een 8-voets tongwerk.


glasharmonica

glasharmonica
glasharmonica, muziekinstrument, in 1762 uitgevonden door Benjamin Franklin en bestaande uit een aantal van klein tot groot oplopende glazen schalen, die in horizontale ligging aan een as bevestigd zijn die door een pedaalmechaniek in draaibeweging wordt gebracht. Met de toppen van de vingers bespeelt men de vochtig gemaakte randen van de schalen. O.a. Mozart en Haydn schreven werken voor glasharmonica. R. Strauss paste het instrument toe in de opera Die Frau ohne Schatten (1914).


Orgel

orgel
INLEIDING

orgel (v. Gr. organon, zie organum; Ital.: organo; Fr.: orgue of orgues; Duits: Orgel; Eng.: organ), tot de aërofonen (blaasinstrumenten) behorend muziekinstrument dat kan worden beschouwd als een verzameling blaasinstrumenten, waarbij iedere buis (pijp), waarin de toon ontstaat door het in trilling brengen van de luchtkolom erin, apart en indirect wordt bespeeld door middel van een hand- of voetklavier. De lucht wordt in een balg verzameld en onder druk gehouden (zie hierna: windwerk). Voor iedere toon of klankkleur worden één of meer pijpen gebruikt. De klankmogelijkheden van een orgel zijn zeer talrijk en afhankelijk van het aantal pijpen dat het bezit. Een groep pijpen die dezelfde klankkleur voortbrengt, noemt men stem, spel of register. Aan elke toets van het klavier beantwoordt ten minste één pijp van één register. Een tweemanuaalsorgel met pedaal heeft algauw ca. 2000 pijpen. Voor het elektronisch of pijploos orgel, zie elektrofoon.

Behalve het grote orgel zijn er kleine orgeltypen: het portatief, het regaal en het positief. Met uitzondering van het merendeel van de tussen 1920 en 1950 gebouwde orgels staat het grote orgel in een houten kast, aan drie zijden gesloten en aan de voorzijde van frontpijpen voorzien. De kast dient vnl. om de klank te bundelen en deze vervolgens de ruimte in te stuwen.

1. ONDERDELEN

De belangrijkste onderdelen van het orgel zijn:

1.1 Windwerk

Het windwerk omvat systemen van aanvoer en verzameling van de benodigde lucht; de lucht wordt in een blaasbalg verzameld (vroeger door orgeltrappers, thans door een elektromotor), onder druk geplaatst (door stenen of loden gewichten of door spiraal- of bladveren) en via windkanalen naar de windkast en vandaar naar de windladen gevoerd. Op deze windladen staan de pijpen. Een enkelvoudig orgel heeft één windlade, een meervoudig orgel heeft voor ieder werk of klavier één lade en voor het pedaal veelal twee windladen. De meest voorkomende typen van windladen zijn:

a. De tooncancellade, waarbij iedere windlade in evenveel cancellen of dwarskanalen is verdeeld als er toetsen zijn op het klavier; alle pijpen die corresponderen met één toets staan dus op dezelfde cancel en ontvangen dezelfde orgelwind, wat een goede versmelting van verscheidene klankkleuren op één toets tot gevolg heeft; dit type is vooral geschikt voor polyfoon spel. Het bovenblad van de tooncancellade heeft een zelfde aantal gaten als pijpen; in het onderblad wordt in elke cancel een opening gelaten voor het speelventiel. Dit ventiel bevindt zich in de bovenkant van de wind- of ventielkast en is via een koperdraad verbonden met de toets op het klavier (zie hierna: regeerwerk). Door een druk op de toets wordt het ventiel geopend en de zich in de ventielkast bevindende orgelwind stroomt door de cancel naar de pijp op de lade en doet deze spreken.

b. De register- of kegellade, waarbij de wind langs een ventiel bij alle pijpen van één register komt, wat de versmelting van de tonen onderling bevordert; dit type is vooral geschikt voor homofoon spel. Iedere pijp krijgt dus haar eigen wind uit een registercancel. De kegel vormt de afsluiting van de cancel naar de pijp. Hij wordt door een tuimelaar opgelicht bij het neerdrukken van de toets. Het kenmerkende is dus dat alle kegels van dezelfde pijpen van alle registers worden opgelicht; het is de registerknop die de orgelwind in de cancel toelaat.

1.2 Regeerwerk

Het regeerwerk is de bedieningsapparatuur van het orgel; het omvat de registertractuur en de toetstractuur. De registertractuur regelt de registratie, d.i. het openen en sluiten van de verschillende registers; de toetstractuur doet de speelventielen werken, m.a.w. hiermee bespeelt men het instrument. Bij de tooncancellade wordt de registertractuur geregeld door een sleep (vandaar de naam sleeplade). In de lengte van de windlade wordt boven de cancellen een aantal planken (dammen) aangebracht met ertussen verschuifbare latten (slepen); boven de dammen liggen de stokken waarop de pijpen staan. Dammen, slepen en stokken hebben evenveel boringen als er tonen en cancellen zijn. In 'open' stand bevinden zich de sleepgaten precies tussen de cancelopeningen en de stokboringen, zodat de wind ongehinderd uit de cancel naar de pijp kan stromen. Latten en scharnieren verbinden de slepen met de registertrekkers naast de klavieren, waar de organist ze kan bedienen. Bij de springlade wordt de sleep vervangen door evenveel cancelventieltjes als er registers zijn. Er zijn verschillende soorten van toetstractuur:

a. De mechanische toetstractuur, waarbij de toets door een stel latten of abstracten, armen of wellen, via allerlei scharnierpunten en een tussenstation (wellenbord) met het speelventiel wordt verbonden. Deze toetstractuur kan bij oude orgels, vooral bij gekoppeld spel (zie hierna) een grote inspanning vergen van de vingers; in de 19de eeuw heeft men, bij veranderende muziekpraktijk, dan ook getracht dit te verhelpen; bij de Barker-machine dient de druk van de toets slechts om een nabijgelegen balgje te openen, dat door de druk van de instromende wind het verder gelegen speelventiel opent.

b. De pneumatische tractuur, waarbij ook achter de toetsen orgelwind is (klavierkastje), die langs een kanaaltje (buizenpneumatiek) via een relais tot in de membraanstok gaat en daar alle kegels omhoogdrukt. Deze kegels laten de wind die in de registercancel zit vrij ontsnappen via een kanaal naar de voet van de pijp; variaties van de pneumatische tractuur zijn de membraanladen en de balgjeslade; de tractuur is licht, de klavieren kunnen op een afstand van de grote orgelkast staan, maar tussen het neerdrukken van de toets en het spreken van de pijp verloopt een bepaalde tijd.

c. De elektrische tractuur, waarbij door de druk op de toets een stroomketen wordt gesloten die een magneet onder de pijpvoet in werking stelt, waardoor het speelventiel wordt geopend. Deze werking kan plaatsvinden bij bovengenoemde systemen (tooncancellade, registerlade), waarbij de elektropneumatiek het meest toegepast wordt. Bij de elektrische tractuur kunnen de klavieren en de bedieningsapparatuur onafhankelijk van de orgelkast worden opgesteld.

Een klavier noemt men een rij toetsen die met de vingers (manuaal) of met de voeten (pedaal) worden bespeeld. Elk klavier regeert een afzonderlijk werk met een of meer eigen windladen en waarvan de pijpen een aparte klankpiramide uitmaken. Men spreekt van klaviatuur wanneer deze klavieren met de registertrekkers aan de orgelkast zijn vastgebouwd, en van speeltafel wanneer zij los staan van de kast. De registertrekkers kunnen variëren van grote houten trekkers bij mechanische sleeplade-orgels tot kleinere knoppen en labels bij elektrische registertractuur. Men heeft steeds de mogelijkheid gekend om de klavieren onderling en de klavieren met het pedaal te koppelen, zodat de registers van klavier A ook op klavier B meeklinken. Voorts omvatten de speelhulpen ook de combinaties die vooral bij elektrische orgels veel voorkomen; zo kan men registraties voorbereiden en tijdens de loop van het muziekstuk doen optreden. De zwelkast is een houten wand met beweegbare jaloezieën, waarachter een deel van de pijpen is opgesteld; zij regelt het klankvolume en wordt bediend door een voettrede. Het aantal toetsen van de klavieren is tijdens de geschiedenis van het orgel sterk veranderd; thans is de omvang meestal van C tot g3 of c4 voor de manualen en van C tot f1 of g1 voor het voetklavier.

1.3 Pijpwerk

Het pijpwerk bestaat uit lip- en tongpijpen (labialen, resp. lingualen). De labialen worden onderscheiden in open, gedekte en halfgedekte en bestaan uit corpus, kern en voet; een gedekt labiaal heeft bovendien een deksel of hoed. De luchtstroom wordt via de open voet gedreven naar de kernspleet tussen de kern en de onderlip en stuit vervolgens tegen de bovenlip; deze botsing veroorzaakt een trilling die de luchtkolom in het corpus doet resoneren. Hoe langer het corpus hoe lager de toon. Bij gedekte pijpen is het trillingsgetal tweemaal lager en de klank een octaaf lager dan bij een open corpus van dezelfde lengte. De lengte van de pijp – of de toonhoogte – wordt uitgedrukt in de voetmaat (ca. 328 mm). Een 8-voetsregister (8′) is een reeks pijpen waarvan de laagste C een corpuslengte heeft van 8 voet (ca. 2, 40 m). Deze toon komt overeen met de laagste C van een piano. Een 4-voetsregister klinkt een octaaf hoger dan de 8′; een 16′ een octaaf dieper; dieper dan 32′ gaat men meestal niet; hoger dan 1′ ook niet, tenminste niet bij enkelvoudig spelen (zie hierna). Heeft het corpus een wijde mensuur of diameter, dan is de klank grondtonig; naargelang het enger is, wordt de klank boventoonrijker. De combinatie van de grondtoon met zijn min of meer geprononceerde boventonen bepaalt het karakter of timbre. Er bestaan wijde, middelmatige en enge, cilindrische en conische registers. Tot de belangrijkste middelmatige registers behoren de prestanten (van Lat. praestare = vooraanstaan), zo genoemd omdat zij tevens in het front van het orgel staan. Zij vormen de kern van elk goed orgel en komen in vele voethoogten voor. Prestantpijpen komen ook in meervoudige bezetting voor: de mixturen. Een Mixtuur 4 sterk omvat vier pijpen per toets; deze reeks bestaat meestal uit hoge octaaf- en kwintreeksen. Zij repeteren, dwz. zijn in de bas hoger geïntoneerd dan in de discant, zo niet dan zouden zij de gehoorgrens overschrijden. Deze registers maken de bas helderder, bevorderen daardoor het polyfoon spel en geven de orgelklank zijn typische schittering. De overige labiale registers ontstonden meestal ca. 1500, als imitaties van bestaande houtblazers; dit verklaart hun namen: Woudfluit, Gemshoorn, Sifflet, Blokfluit, Nachthoorn, enz. Zij komen niet alleen in de grondtoon, maar ook als kwinten en als terts voor. Ook enge mensuren worden toegepast als imitatie van strijkers. Een Roerfluit is een halfgedekt register met een roer (buisje) in de hoed. De Cornet is een samengesteld register van wijde mensuur en niet repeterend. De tongpijpen of lingualen vormen hun klank op geheel andere wijze. Een tongpijp bestaat uit stevel of schoen, tong, keel of mondstuk, spie of wig, stemkruk en schalbeker. De klank wordt tot stand gebracht door de trilling van de tong tegen de keel, die in de schalbeker versterkt en gekarakteriseerd wordt. Men onderscheidt tongwerken met volle bekers (o.a. Trompet), met halve bekerlengte en met zeer korte bekerlengte (regalen). De bekers kunnen conisch of cilindrisch zijn, wijd of eng. Ook de tongwerken ontstonden ca. 1500 uit de behoefte allerlei blaasinstrumenten te imiteren, vandaar hun namen: Schalmei, Kromhoorn, Trompet, Bazuin, Dulciaan, Fagot, enz. Tongwerken geven de soms wat statische orgelklank een warme gloed.

2. EENENDERTIGTOONSORGEL

Het eenendertigtoonsorgel (It.: organo trentunisono) belichaamt de mogelijkheid om te musiceren in de eenendertigtoonsstemming van Christiaan Huygens, zonder verstellen van knoppen, dankzij een nieuwe indeling van de klavieren. Deze lopen iets op; de toetsen liggen dakpansgewijs. De toetsen met intervallen van hele tonen liggen naast elkaar. Intervallen van 1 diëze leiden recht omhoog en omlaag, intervallen van kleine halve tonen (2 diëzen) schuin van links boven naar rechts beneden; intervallen van grote halve tonen eveneens diagonaal van links beneden naar rechts boven. De toetsen van de stamtonen zijn wit. De zwarte toetsen zijn verdubbeld, voor cis en des, enz. Recht boven en beneden de witte toetsen liggen blauwe toetsen halverwege tussen dis en d, d en des, enz. Voor elke noot heeft men op het manuaal de keuze tussen ten minste twee toetsen. In het pedaal is er één toets per noot. In het Teylers Museum (Haarlem) bevindt zich het door A.D. Fokker gebouwde eenendertigtoonsorgel.

3. GESCHIEDENIS VAN DE ORGELBOUW

De Griekse en de Romeinse oudheid kenden het waterorgel. Het windorgel is waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen te Byzantium hieruit ontwikkeld. Het staat vast dat orgels als geschenk door keizers uit Constantinopel aan de Karolingen werden gegeven (o.m. in 757 door Constantijn V aan Pippijn de Korte). In de abdijen van West-Europa werden deze modellen nagebouwd en verbeterd. Deze orgels waren tot ca. 1400 blokwerken, dwz. het geluid werd voortgebracht door één grote, niet gedeelde mixtuur. Tussen 1400 en 1500 bouwde men de dubbellade; men sloot een gedeelte van de bloklade af, de mixtuur werd in twee delen gesplitst, meestal de grondtoon en de eigenlijke mixtuur. De orgels hadden vaak verscheidene manualen en een pedaal. Omstreeks 1500 ontstonden vele nieuwe registers, doordat men de klank meer wilde differentiëren. Deze 'andere registers' konden slechts op de sleepladen separaat optreden. Zo ontstonden de verscheidene 'werken'. Omstreeks 1550 bezat het orgel de essentiële onderdelen die het nu nog bezit. Brabant en Vlaanderen stonden van de 15de tot begin 17de eeuw aan de spits van de orgelbouw, met orgelmakersgeslachten als de Langheduls in Vlaanderen en de Niehoffs in Noord-Brabant. Het aantal 'werken' werd in de loop der jaren uitgebreid; grotere orgels hadden een hoofdwerk (boven het hoofd van de organist), een rugpositief (of klein werk, achter de rug van de organist), een bovenwerk (boven het hoofdwerk) en/of een borstwerk (onder het hoofdwerk), benevens een pedaal. Sommige orgels hadden een achter in de kast geplaatst zgn. echowerk, dat door zijn opstelling zachter klonk en waarmee men derhalve echo-effecten kon bereiken. Alleen bij moderne orgels met elektrische tractie is het mogelijk een echowerk op een betrekkelijk ver van het hoofdorgel verwijderd punt te plaatsen. Zeer grote orgels hebben als vierde of vijfde werk soms een zgn. kroonwerk dat uit solostemmen is samengesteld. In de 18de eeuw hadden hoofdwerk, bovenwerk en/of borstwerk, alsmede rugpositief registers van alle families (prestanten, fluiten en tongwerken). Belangrijke orgelbouwersgeslachten uit de 17de en 18de eeuw waren Hagerbeer, Duyschot, Müller, Hinsz en Bätz in de Noordelijke Nederlanden, Van Haeghen, Forceville, Van Peteghem en De la Haye in de Zuidelijke Nederlanden, Scherer, Fritzsche, Compenius, Schnitger en Silbermann in Duitsland en De Héman, Lefèbvre en Clicquot in Frankrijk. In de 19de eeuw kwamen er ook orgels in de nieuwgebouwde concertzalen, terwijl vele technische uitvindingen de windvoorziening verbeterden en de speelaard aanpasten aan de symfonische romantische muziek. Grote orgelbouwers uit de 19de eeuw waren o.m. Cavaillé-Coll in Frankrijk, Walcker in Duitsland en Willis in Engeland. In het begin van de 20ste eeuw werden vele orgels volgens industriële normen vervaardigd. Na de Tweede Wereldoorlog greep men terug naar de oude bouw- en klankprincipes van ca. 1700. Een essentieel onderdeel van de hedendaagse orgelbouw is het conserveren en restaureren van oude instrumenten.

4. GESCHIEDENIS VAN DE ORGELMUZIEK

Het orgel was aanvankelijk een wereldlijk instrument en werd gebruikt bij feesten en in het circus. Sedert de 12de eeuw werd het in de kerk aanvaard, toen men de nuttigheid ervan ontdekte bij het aangeven van de toon voor de cantor en het ondersteunen van of het deelnemen aan de eerste vormen van polyfonie. Tot ca. 1500 bestond de orgelmuziek dan ook uit afwisselend optreden met de zangers en uit transcripties van vocale literatuur, die meer en meer instrumentaal werden naar gelang de speelaard van het instrument lichter en de registratiemogelijkheden groter werden. Tussen 1540 en 1620 ontwikkelde zich vooral in Italië, de Nederlanden, Spanje en Engeland een reeks typische structuren die niet meer aan een cantus firmus gebonden en zuiver instrumentaal gedacht waren: ricercare, canzona, toccata, fantasie, variaties op geestelijke en wereldlijke liederen. Belangrijke orgelcomponisten waren: van de eerste generatie o.a. A. Willaert (1480–1562), A. de Cabezon (1500–1566), G. Cavazzoni (1500–1560), van de tweede generatie: J.P. Sweelinck (1562–1621), J. Bull (1563–1628), H.L. Hassler (1564–1612), M. Praetorius (1571–1621), J. Titelouze (1563–1633), G. Frescobaldi (1583–1643). In de 17de eeuw kende Duitsland een bloeiende orgelcultuur met, in Noord-Duitsland, figuren als H. Scheidemann (1595–1663), Fr. Tunder (1614–1667) en D. Buxtehude (1637–1707), in Midden- en Zuid-Duitsland S. Scheidt (1587–1654), J. Froberger (1616–1667) en J. Pachelbel (1653–1706). Deze verschillende 'scholen' en de nieuwe vormen (preludium en fuga, koraalbewerkingen), waarvan de noordelijke hun oorsprong vonden bij Sweelinck en de zuidelijke bij Frescobaldi, convergeren in het orgeloeuvre van J.S. Bach. Omstreeks 1700 kende ook Frankrijk belangrijke orgelcomponisten als Fr. Couperin (1668–1733), N. de Grigny (1671–1703) en L.-N. Clérambault (1676–1749).

In de periode van het classicisme en de vroege romantiek kende de orgelkunst een verval en werden vnl. naturalistische effecten nagestreefd en programmamuziek gespeeld. Het zou duren tot C. Franck (1822–1890) in Frankrijk, F. Mendelssohn (1807–1847) en vooral M. Reger (1873–1916) in Duitsland eer de romantiek in een vernieuwde vormgeving (symfonie, sonate) op het nieuwe symfonische orgel uitdrukking van kunst zou worden. De Symfonische School nam een grote vlucht met Ch.-M. Widor (1844–1937), L. Vierne (1870–1937) en M. Dupré (1886–1971), nadat J.N. Lemmens (1823–1881) het moderne orgelspel in een methode had vastgelegd. Tegen de desacralisatie reageerde Ch. Tournemire (1870–1939) door terug te schakelen naar de liturgische orgelmuziek ( 'L'Orgue Mystique'). Zijn boodschap werd overgenomen door J. Alain (1911–1940) en uitgediept door O. Messiaen (1908–1992). In Duitsland greep men terug op de vormentaal van de barok: J.N. David (1895–1977), E. Pepping (1901–1981) en H. Schroeder (1904). In België en Nederland ondergingen de componisten invloeden uit Frankrijk (zowel van Franck als van Tournemire) en uit Duitsland (Reger en Hindemith); dit is duidelijk merkbaar in de muziek van F. Peeters (1903–1986), Hendrik Andriessen (1892–1981), A. de Klerk (1917) en P. Kee (1927). De nieuwste compositietechnieken worden vrij moeizaam in de orgelmuziek opgenomen. Het instrument is daarvoor niet zo geschikt.


Saxhoorn

saxhoorn
saxhoorn, een door Adolphe Sax in Parijs in 1845 gepatenteerd muziekinstrument, een verbeterd type van de ventielbugel, tenorhoorn en bastuba. Sax is dus niet de uitvinder van de saxhoorns, die eerst in zeven, later in negen grootten werden gebouwd, maar degeen die orde schiep in de verscheidenheid van blaasinstrumenten met verschillende mensuur, boring, ventielconstructie, enz. De saxhoorns zijn volgens één principe gebouwd, hebben één mensuurtype, één soort verloop bij de boring en één type ventielconstructie. Alle instrumenten zijn transponerend. Bij de aanblazing worden de lippen op een ketelmondstuk geplaatst. De saxhoorns vormen een groep die samen een omvang van ca. vijf octaven heeft met hetzelfde timbre.

Groep I: 1. sopranino-saxhoorn in Es, 2. sopraan-saxhoorn in Bes, 3. alt-saxhoorn in Es, 4. tenorhoorn in Bes.

Groep II: 5. euphonium in Bes, 6. bombardon (Esbas) in Es, 7. contrabas (Besbas) in Bes.

Groep I klinkt vanaf de eerste boventoon en heeft een omvang van ca. twee octaven; groep II klinkt vanaf de grondtoon en heeft drie octaven omvang.

De saxhoorns zijn nimmer doorgedrongen tot het symfonieorkest, maar nemen een belangrijke plaats in de harmonie- en fanfareorkesten in.


De Trombone

trombone
INLEIDING

trombone (v. Ital. tromba = trompet) of bazuin, koperen blaasinstrument, bestaande uit beker, hoofdbuis en ketelmondstuk, waartegen tijdens het aanblazen de lippen onder spanning geplaatst worden. De hoofdbuis wordt verlengd door een schuif (coulisse), bestaande uit een gebogen buis die zeer soepel in de hoofdbuis glijdt. Door het uitschuiven van de coulisse kan de grondtoon zesmaal verlaagd worden (de zes 'posities'), chromatisch tot een verminderde kwint. Op iedere positie kan weer de reeks harmonischen gespeeld worden. Het principe van buisverlenging door toepassing van ventielen met nevenbuizen heeft men ook toegepast bij de trombone, maar de schuiftrombone bleek kwalitatief beter. De ventieltrombone wordt alleen nog in fanfare- en harmonieorkesten gebruikt.

De meest voorkomende trombone is de tenortrombone, gevolgd door de bastrombone; de alttrombone wordt bijna niet meer gebruikt. De trombone behoort niet tot de transponerende muziekinstrumenten. De grondtoon van de tenortrombone is Bes, de toonomvang (met posities) E–bes1; door toevoeging van een nevenbuis met een ventiel (kwartventiel) kan de omvang met een kwart verlaagd worden, met weer de reeks bovenharmonischen op de nieuwe grondtoon. De eigenlijke grondtoon van iedere reeks wordt zelden gebruikt; slechts de eerste drie zijn te spelen (zgn. pedaaltonen). Door het gebruik van een kegelvormige sourdine (demper) kan de toon gedempt worden. De bastrombone (F of G als grondtoon; omvang F1–f1) heeft een grotere beker, spreekt door zijn bouw gemakkelijker aan in het lage register en kan eveneens met een kwartventiel uitgebreid worden. De normale bezetting in het symfonieorkest is twee tenortrombones en één bastrombone. Componisten als Berio en Stockhausen wisten nieuwe geluidseffecten met de trombone te bereiken.

1. GESCHIEDENIS

De trombone, waarschijnlijk uit de Romeinse buccina ontstaan, had zich in de 13de eeuw ontwikkeld tot een zelfstandig instrument, waarbij sedertdien in de speelwijze geen principiële wijzigingen hebben plaatsgevonden. In de 16de eeuw omvatte de trombonefamilie: discant-, alt-, tenor-, bas- en contrabastrombone. De discanttrombone werd vervangen door de beter klinkende trompet, terwijl de alttrombone in de 19de eeuw verdrongen werd door de tenortrombone.


Trompet

trompet
INLEIDING

trompet (v. Fr. trompette, v. trompe = jachthoorn), buisvormig blaasinstrument dat tot klinken wordt gebracht doordat de samengeperste lippen van de speler uiterst snelle pulsaties van de in de buis opgesloten luchtkolom veroorzaken en deze aldus in trilling brengen. In tegenstelling tot de konische buisvorm van de aan de trompet verwante hoorn is de buis van de trompet nauw en cilindrisch en loopt pas aan het eind uit in een wijde klankbeker. De lippen worden geplaatst tegen een 'ketelmondstuk'. De Europese trompet is het hoogste van de koperen blaasinstrumenten. De grondtoon, bepaald door de buislengte, kan door middel van pistons met bijbehorende nevenbuizen worden verlaagd met 1 toon, y toon, of 1y toon; door combinatie is een verlaging van drie tonen mogelijk. Op iedere grondtoon kan de reeks harmonischen worden geblazen, de grondtoon zelf uitgezonderd. Door het ketelmondstuk ontstaat de briljante toon, die verder door de embouchure wordt bepaald. Het instrument wordt gebouwd in verschillende stemmingen (Bes, C, D); de omvang (naar klank) van een Bes-trompet is e–bes2, van een C-trompet fis–c3 en van een D-trompet gis–d3. De trompet behoort tot de transponerende muziekinstrumenten. De lengte van de hoofdbuis, van mondstuk tot bekerrand, bedraagt ca. 135 cm. De buis is ovaal gewonden, de beker heeft een slanke vorm en is naar voren gericht. Speciale klankeffecten worden bereikt door tongslag (onderbreking van de luchtstroom d.m.v. de tong) en door sourdineren (zie sourdine).

In de 19de eeuw ontstond de bastrompet, een lage trompet in Bes, C, D of Es die het trompetregister naar beneden toe uitbreidt. Naargelang van de stemming is de buis 246 tot 270 cm lang, waardoor de windingen groter zijn dan bij de trompet. De bastrompet stelt bijzondere embouchure-eisen.

De trompetbezetting in het symfonieorkest varieert van twee tot vier en wordt in bijzondere gevallen uitgebreid. In de jazz en in de Nieuwe Muziek zijn alle mogelijkheden van toonvorming uitgebuit.

1. ETNOMUSICOLOGIE

Buiten Europa is het formele onderscheid tussen hoorn en trompet vaak gering. De hoorn verloochent doorgaans in de vorm zijn dierlijke oorsprong niet, terwijl de trompet meestal hetzij kaarsrecht is (bijv. de houten trompetten van sommige Zuid-Amerikaanse Indianenvolken, de 3y m lange rituele Tibetaanse rag-dung, de Indische turhi en bhenr), hetzij al dan niet in windingen is gebogen (China: hau-toeng en la-ba; het klassieke Rome: lituus en buccina; India: de S-vormige rarsingha; de Scandinavische lure). Voorts is in wijd uiteenliggende gebieden de schelptrompet bekend, waarvoor de kinkhoorn (Turbinella pyrum) wordt gebruikt. De houten Europese signaalhoorns, zoals de Nederlandse midwinterhoorn, de alpenhoorn van het (Zwitserse) Alpengebied en de Roemeense bucium, vertonen vormkenmerken van zowel hoorn als trompet.

2. GESCHIEDENIS

Hoewel de trompet al honderden jaren v.C. in het oostelijk deel van het Middellandse-Zeebekken voorkwam (Assyrië, Babylonië, Sumeriërs, Egypte), duurde het tot de Kruistochten eer de trompet (als militaire trofee) zijn intrede deed in Europa, waar hij de hoorn verdrong als cavallerie-instrument; deze bleef slechts in gebruik bij jagers en torenwachters en bij het voetvolk. De trompet- en hoorninstrumenten vinden veelal hun toepassing in het godsdienstig ritueel, in religieuze processies, jacht- en begrafenisceremonies, enz. Daarnaast is de trompet opgekomen als militair signaalinstrument bij de ruiterij en als zodanig in combinatie met de pauken voor het eerst in de 16de eeuw in het Europese orkest opgenomen. Tussenfasen in de Europese trompetontwikkeling waren de stoptrompet, waarbij men, evenals bij de hoorn, door middel van het stoppen met de hand de toonhoogte wijzigde (Praetorius [1619]: Jägertrumpet), de schuiftrompet (werkend als de schuiftrombone) en de natuurtrompet met beugels, waarbij alleen de hoge harmonischen geschikt waren voor melodiespel en waarbij door het tussenvoegen van beugels de hoofdbuis kon worden verlengd en dus de grondtoon verlaagd. Trompettisten specialiseerden zich in het spelen in het lage register (Ned.: principaalblazen; Duits: Prinzipalblasen) of het hoge register (klaroenblazen of clarinoblazen). Het trompetspel ten tijde van J.S. Bach vormt een nog onopgelost probleem. Om de zeer hoge trompetpartijen in diens muziek te vergemakkelijken werd ca. 1870 een trompet vervaardigd met lange, konische buis en twee of drie ventielen, de Bachtrompet. Na een korte bloei (ca. 1790 – ca. 1830) van de kleptrompet, met in de regel vijf kleppen, werden alle trompetvormen verdrongen door de ventieltrompet (ca. 1820), door toepassing van ventielen of pistons voor het eerst een volledig chromatisch trompettype, waardoor de trompetfunctie in het orkest niet langer beperkt hoefde te blijven tot die van het spelen van harmonie- of vulstemmen. Omstreeks 1840 vond men in de meeste militaire orkesten reeds ventieltrompetten en sedert 1850 ook in de symfonieorkesten, eerst de F- en ca. 1900 ook de hogere Bes-trompet. Pas Wagner benutte in verscheidene composities volledig de mogelijkheden van de ventieltrompet, die later werden uitgebuit door R. Strauss(Ein Heldenleben, 1899), Cl. Debussy (Nocturnes, nr. 2: Fêtes, 1898), L. Janáček(Symfonietta, 1926, negen plus drie trompetten), G. Mahler(5de symfonie [I], 1901–1902), e.a. Voor de Triomfmars uit Verdi's Aïda (1871) werd de Aïda-trompet (zonder kromming, met een lengte van 1,5 m en met één ventiel) geconstrueerd.


Vibrafoon

vibrafoon
vibrafoon (v. Lat. vibrare = trillen; Gr. phoonè = geluid), muziekinstrument bestaande uit op een tafel gemonteerde, gestemde, smalle metalen platen in pianotoetsenligging (omvang twee tot vier octaven). Onder de platen bevinden zich holle buizen waarin een, de buis vrijwel afsluitend, schijfje aan een as is geplaatst. De schijven kunnen elektrisch tot draaiing worden gebracht, waardoor een langdurig vibrato wordt opgewekt, als de toonplaten met een stok met een rubber- of viltkop worden aangeslagen. Een reep vilt kan het lang naklinken (het specifieke vibrafooneffect) bekorten of afdempen door middel van een pedaal. Een grote virtuositeit kan bereikt worden door bespeling met drie of vier stokken. De vibrafoon, die in de 20ste eeuw is ontwikkeld uit de xylofoon, is veel in jazzorkesten gebruikt, maar is ook bij de eigentijdse muziek een populair instrument in de slagwerkgroep geworden.


De Trom

trom
INLEIDING

trom of trommel, elk membranofoon slaginstrument met als grondvorm: een over een opening gespannen vel. De toonhoogte is meestal niet gefixeerd; wel kan door wijziging van de velspanning de klank hoger of lager worden. Het aanslaan gebeurt met de handen, vingers of met verschillend aanslagmateriaal, zoals bijv. al dan niet omwonden stokken met verschillende kopgrootte. Naargelang van de bouw kan een toon doorklinken en zo nodig gedempt worden. Doordat de meeste trommen niet doorklinken is in het algemeen een toonherhaling (roffel) noodzakelijk indien een langere toonduur wordt gewenst. Meetrillende snaren die tegen het resonansvel zijn aangebracht, of, bij sommige trommeltypen, metalen plaatjes of ringetjes, veroorzaken een snorrend geluid. Van de talrijke typen dienen te worden vermeld: cilindrische trom (één- of tweevellig), conische trom (idem), keteltrom of pauk (eenvellig), zandlopertrom (tweevellig), lijsttrom of tamboerijn (eenvellig). Over de gehele wereld spelen trommen in velerlei vormen een belangrijke rol in het muziekinstrumentarium (zie ook slaginstrumenten). In de gamelanorkesten van Java en Bali is de tromspeler de orkestleider. Bij de Noord-Amerikaanse Eskimo's en sommige Indianengroepen is de (lijst)trom het enige gebruikte muziekinstrument. In de westerse muziek worden naast de pauk, de kleine trom, de roertrom en de grote trom tegenwoordig de meest uiteenlopende soorten trommen gebruikt.

1. SOORTEN TROMMEN

De kleine trom of militaire trom bestaat uit een metalen of houten cilinder met een diameter van ca. 35 cm, aan beide zijden voorzien van een kalfsvel dat door middel van schroeven en een hoepel gespannen kan worden; het slagvel wordt met spits toelopende stokken bespeeld. Tegen het resonantie- of snarenvel zijn meetrillende metaaldraadsnaren aangebracht, eventueel door een handeltje buiten werking te stellen. Demping van de toon wordt verkregen door een doek over het slagvel te leggen (tamburo coperto). De notatie (ritme-aanduiding) geschiedt meestal op één lijn. De trommen in het symfonieorkest zijn meestal iets kleiner dan die gebruikt in militaire en andere korpsen.

De roertrom, velddiameter 28–35 cm, cilinderhoogte 35–50 cm, bestaat in twee uitvoeringen: a. de traditionele militaire, waarbij de vellen door middel van zigzag lopende koorden gespannen worden en die door leren lussen bijgestemd kan worden; b. de gemoderniseerde roertrom van het symfonieorkest, met metalen cilinder en spanschroeven en met op en af te spannen snaren.

De grote trom of Turkse trom werd waarschijnlijk door de Turken in Europa ingevoerd en kreeg in de janitsarenmuziek grote populariteit. De cilinder, ca. 40 cm diep en met een diameter van ca. 70 cm, heeft aan één of aan beide zijden een vel. Meestal wordt slechts één vel als slagvel benut. Het instrument wordt in liggende of staande positie aangeslagen met een stok met een met leer (helderder klank) of vilt beklede kop of met een roede of wire brush; soms bevindt zich aan één stok aan beide zijden een kop, zodat een roffel met één hand gespeeld kan worden. Er kan zowel rakelings langs als tegen het vel worden geslagen. Bij liggende trom kunnen ook paukestokken worden gebruikt. Soms zijn op de trom bekkens aangebracht. Een grote trom in combinatie met andere trommen, één of meer bekkens en een aantal andere slaginstrumenten vormt een door één speler te bedienen slaginstrumentarium, een drumstel (Eng. drum = trommel). Het wordt in jazzensembles en popmuziek gebruikt. De grote trom wordt bij het drumstel door middel van pedaalmechaniek aangeslagen, opdat de handen voor andere slaginstrumenten vrij blijven.

De jazztrommel is een kleine trom waarvan de resonanssnaren zijn uitgeschakeld. Als aanslagmateriaal worden trommelstokken en wire brush gebruikt. Hindemith(Cardillac, 1926) en A. Berg (Lulu, 1933) noemen in hun partituur de jazztrommel, maar dan wordt de tomtom bedoeld.

Recent zijn diverse typen Buiten-Europese trommen in het Westen gangbaar geworden, zoals de talking drums, afkomstig uit Afrika. Zie verder Afrikaanse muziek. Zie ook Indiase muziek; boeddhistische muziek; Japanse muziek

Harp

harp
INLEIDING

harp (Ital.: arpa; Fr.: harpe; Duits: Harfe; Eng.: harp), als moderne dubbelpedaalharp een tokkelinstrument waarvan de snaren door middel van de vingers van beide handen (uitgezonderd de pink) worden aangetokkeld. De snaren (46 of 47) zijn verticaal aangebracht tussen de stempennen aan de harmonisch gebogen hals en de van vijf klankgaten voorziene resonanskast of corpus. De snaren zijn diatonisch gestemd in Ces. Door middel van zeven pedalen, die zich in de voet van de harp bevinden, worden in de zuil (baronstang) stangen in beweging gebracht die een mechanisme aan de hals van het instrument in werking stellen dat de snaren verkort. Dit verkortingsmechaniek bevindt zich achter en op de metalen plaat die tegen de hals van de harp is aangebracht. Door een pedaal eenmaal neer te trappen en in de eerste inkeping vast te zetten, draait een van opstaande pennetjes voorzien schijfje (fourchette, Gabel) een kwartslag om, waardoor de snaar verkort en de stemming een halve toon verhoogd wordt. Worden alle pedalen in de eerste inkeping geplaatst, dan is de hele harp in C gestemd. Alle pedalen in de tweede inkeping wijzigt de stemming in Cis. De pedalen zijn zo geplaatst dat de linkervoet het B-, C- en D- (Bes-, Ces- en Des-)pedaal en de rechtervoet het E-, F-, G- en A- (Es-, Fes-, Ges- en As-)pedaal bedient. Doordat de bediening van de pedalen tijd vereist, is het niet mogelijk snelle chromatische passages te spelen. Door verschillende wijzen van tokkelen zijn bijzondere effecten te bereiken, die bij de moderne orkestratie veelvuldig worden toegepast.

1. GESCHIEDENIS

De harp behoort tot de oudste muziekinstrumenten. Egyptische en Assyrische reliëfs en wandschilderingen tonen primitieve boogharpen. Bij de boogharp werden snaren van verschillende lengte tussen de boog gespannen, doch zij had het bezwaar dat te weinig snaren tussen de boog bevestigd konden worden. Uit latere perioden is de hoekharp bekend. Hierbij staan snarenhouder en resonanslichaam in een rechte hoek tot elkaar. Daardoor was het mogelijk meer snaren aan te brengen. Door deze hoekvorm ontstaat vanzelf de verkorting (naar de speler toe), die noodzakelijk is voor de kortere snaren, dus de toonhoogteverschillen. De volgende stap in de ontwikkeling was het sluiten van de hoek met een zuil, waardoor de raamharp ontstond. Tussen de snarenhouder en het resonanslichaam werd deze zuil ter versteviging aangebracht. De gesloten driehoek bood nu weerstand aan de spanning van een groot aantal snaren. De raamharp is sinds de 8ste eeuw bekend en is vele eeuwen in gebruik geweest. Als clarsach (ook clairseach of clairsighe) heeft dit instrument vooral in Ierland (Ierse harp), Wales en Schotland bekendheid verworven. De stokharp was het resultaat van zoeken naar de mogelijkheid beide handen voor bespeling vrij te hebben. Deze harp werd voorzien van een stok (waarop ze steunde) of op een verhoging geplaatst. Zij was de directe voorloper van de tegenwoordige vorm.

De ontwikkeling van de meerstemmigheid en de uitbreiding van de toonsoorten maakten technische verbeteringen noodzakelijk. Was het moduleren naar andere toonsoorten bij de oude harpen uitgesloten, bij de haakharp, geconstrueerd in Tirol in de tweede helft van de 17de eeuw, werd het mogelijk door het neerdrukken van een haak de snaar te verkorten, waardoor de toonhoogte een halve toon hoger werd. Deze haakharp werd verder ontwikkeld door Hochbrucker (Donauwörth, 1720), die de pedaalharp ontwierp (waarbij de snaarverkorting niet meer met de hand geschiedde). Deze pedaalharp met grondstemming Es grote terts had zeven pedalen, voor iedere grondtoon van de toonladder één. Sébastien Érard vond ten slotte ca. 1820 de oplossing die, zij het in verbeterde vorm, tot op heden stand heeft gehouden. Hij bouwde de dubbelpedaalharp, waarbij door een tweede inkeping de pedalen niet eenmaalmaar tweemaal ingetrapt kunnen worden.

J.H. Pape (midden 19de eeuw) bouwde, gevolgd door Ign. Pleyel en Gustave Lyon (1894), een chromatische harp zonder pedalen, die voor iedere toon van de toonladder een eigen snaar had (totaal 78 snaren). De snaren werden (zoals de zwarte en witte toetsen van de piano) in twee verschillende vlakken aangebracht. Ook de chromatische harp had echter weer technische tekorten; akkoordglissandi bijv. konden niet worden uitgevoerd. Uiteindelijk heeft de pedaalharp het pleit gewonnen.

De Ierse harp, in de middeleeuwen in Ierland een belangrijk huisinstrument, beleefde in de 20ste eeuw een wedergeboorte in de Verenigde Staten, Europa en Japan. Het instrument is technisch verbeterd, heeft een toonomvang van bijna vijf octaven (34 snaren) en is door zijn formaat uitstekend geschikt om ook door kinderen bespeeld te worden. De stemming is diatonisch, maar iedere toon afzonderlijk kan door middel van een verticaal te bedienen hefboompje een halve toon worden verhoogd.

2. ETNOMUSICOLOGIE

In de Europese volksmuziek komt de harp frequent in Ierland, op de Britse eilanden, in Frankrijk, Spanje, Hongarije en Rusland voor. Naar wordt aangenomen is het instrument reeds vóór 1000 n.C. op het Europese vasteland bekend geworden door de Ierse barden . Ook in geheel Afrika ten zuiden van de Sahara is de harp een bekend autochtoon muziekinstrument, waarvan plaatselijk talrijke varianten bestaan (zie Afrikaanse muziek). Het dient veelal ter begeleiding van epische zang en laat zich slechts combineren met meer volumineuze instrumenten zoals trommels. Een bijzonder hoge vlucht heeft de harp genomen in de Zuid- en Midden-Amerikaanse volksmuziek. Het instrument werd daar gebracht door de rooms-katholieke geestelijkheid, die de conquistadores uit Spanje op de voet volgde en met de harp geestelijke liederen aan de bevolking leerde. In combinatie met twee of drie andere tokkelinstrumenten heeft zich met name in de tweede helft van de 20ste eeuw een standaardensemble ontwikkeld in verschillende Latijns-Amerikaanse landen.

3. TOEPASSING

In het begin van de 17de eeuw werd de harp voor het eerst als orkestinstrument toegepast. Met klavecimbel (met de basso continuo) en luiten vormde zij de muzikale achtergrond bij de eerste opera's in Italië. Na de bouw van de dubbelpedaalharp door Érard nam de belangstelling van de componisten voor de harp weer toe. Berlioz heeft in zijn werken de harp veelvuldig voorgeschreven. Liszt, Wagner, Strauss en Mahler waren in het Duitstalige gebied de stuwende krachten voor een ruimere toepassing van de klankkleur van de harp in het orkestpalet. De Franse impressionisten hebben eerst volledig de mogelijkheden van dit instrument begrepen en toegepast. In het symfonieorkest worden thans gewoonlijk twee harpen gebruikt; meer en meer wordt het instrument in de moderne ensembles voorgeschreven. Strawinsky, Alban Berg, Webern, Henze, Berio en Boulez bijv. zien de harp door haar vele klankmogelijkheden als een van de belangrijkste orkestinstrumenten.

Concerten en werken voor soloharp met orkestbegeleiding schreven o.m.: Rodrigo, Krumpholtz, Händel , Mozart (concert voor harp, fluit en orkest), Boieldieu, Tailleferre, Salzedo, Wagenaar, Glière, Křenek, Ravel, Milhaud, Debussy; de Nederlandse componisten Flothuis, Van Delden, Henkemans, Badings; de Belgische componisten J. Jongen, A. de Boeck , A. Meulemans, R. Bernier (kamermuziek), V. Legley (concerto). De Nederlandse componist R. Heppener componeerde een werk voor 28 harpen.


Blokfluit


















Index

3-inleiding
4-Geschiedenis
5-De familie van de blokfluit
• De eenhandsfluit en de Dordrechtfluit
• De doedelzak
• De Aulos of dubbelfluit
• De flageolet
• De panfluit
• De tin whistle
• De blokfluit
 Geschiedenis
 Soorten
 Houtsoort
 Bouw
 Muziek
12-slotwoord



























Inleiding

Dit eindwerk gaat over de blokfluit.
De blokfluit is een heel oud instrument en daarom heel belangrijk in de geschiedenis van de muziekinstrumenten, doordat men vaak nieuwe varianten bouwt op bestaande instrumenten.
Afkomstig van de blokfluit heb je bijvoorbeeld de doedelzak, de flageolet, de tin whistle, …
Over enkele van deze varianten staat verderop meer uitleg.
Veel plezier met dit eindwerk.



































Algemene geschiedenis





Voor de geschiedenis van de houtblazerfamilie moeten we eigenlijk zo’n 20.000 jaar terugkeren. De eerste instrumenten, waaronder de blokfluit en de dwarsfluit bestonden toen natuurlijk niet uit hout of koper maar uit botten die ze overhadden van de jacht. Ze geloofden dat die instrumenten de boze geesten verdreven.

In de 13de eeuw vond men in onze streken veel tekeningen van de eenhandsfluit. Deze voorloper bespeelde men met 1 hand. De muzikant bespeelde deze fluit terwijl hij met de andere hand op een trommel sloeg. In deze eeuw bespeelde men ook nog een ander soort, de Dordrechtfluit. Het oudste teruggevonden exemplaar van deze fluit is gevonden in Dordrecht. Vandaar ook deze naam.

Later, in de 16de eeuw werden de eisen voor muziekinstrumenten anders. Rijk versierde muziek met een grote omvang vroeg om instrumenten die ook een grote omvang hadden. De blokfluiten uit de 16e eeuw (tenminste het model dat Silvestro Ganassi beschrijft) had dus een omvang van bijna 3 octaven en dat was een enorme uitbreiding. Naast nieuwe typen bleven oude typen ook bespeeld, afhankelijk van waar de spelers zich in Europa bevonden. Naast de Ganassifluit was de meest voorkomende blokfluit een wat zoetere variant van de middeleeuwse fluit, de zg. Renaissance- of Praetorius blokfluit ( genoemd naar Michael Praetorius, een middeleeuws muzikant). Ook werden de blokfluiten in families gespeeld: kleinere en grotere instrumenten ontstonden, die samen een koor vormden dat de in de 16- en 17e eeuw gebruikelijke polyfone muziek kon spelen, al dan niet in combinatie met andere instrumenten als orgel, gamba's, kornetten, violen, luiten, trompetten en trombones.

In de loop van de 17de eeuw kreeg de blokfluit zijn tegenwoordige vorm. De snavel werd geprononceerder en de boring nauwer en conischer (=hij werd kegelvormiger), waardoor de karakteristieke klank ontstond. Ook werden de blokfluiten uit meer delen gebouwd en werd voor het eerst de zgn. dubbel - of barokboring toegepast: de onderste vingergaten bestaan uit elk twee kleinere gaatjes. Door een van deze gaatjes te openen kan men op trefzekere wijze de toon produceren waartoe voorheen een gat half bedekt moest worden. Aan de constructie van dit nieuwe type is de naam van de Fransman Jacques Hotteterre le Romain verbonden. Door die veranderingen werd de blokfluit opeens populair.
In de 18de eeuw was het succes gedaan, de plaats van de blokfluit werd nu ingenomen door de dwarsfluit. Toch werd ze nog redelijk veel bespeeld.
Ook in de 19e eeuw zijn er ontwikkelingen aan de blokfluit geweest, al zijn die nauwelijks bekend. Parallel aan de ontwikkelingen op fluitgebied werden er ook blokfluiten gebouwd met kleppen en kregen de instrumenten een andere klank. Wel speelde de blokfluit in de ernstige muziek een zeer marginale rol. Ook andere verbeteringen werden aangebracht en zo ontstonden instrumenten met hun grote verscheidenheid aan klankeffecten die wij nu kennen. Rond 1900 werden de bespelers van houten blaasinstrumenten als volwaardige en zelfstandige afdelingen in het symfonieorkest beschouwd, terwijl elk van hen ook geacht werd over solistische eigenschappen te beschikken.
In het begin van de 20e eeuw nam de belangstelling toe voor de blokfluit. Speciaal bij de Duitse Wandervögel en in Engeland, waar de belangstelling voor oude muziek toenam, werd het instrument herontdekt. De Duitse jeugdbeweging omarmde de blokfluit omdat het instrument werd geassocieerd met eenvoud en puurheid en met een gezonde geest. In deze tijd werd er ook een blokfluit ontwikkeld met iets vereenvoudigde grepen (de Duitse boring). De kwaliteit van de meeste instrumenten was toen zeer matig en pas in de jaren 1920-30 werden er meer professionele instrumenten gebouwd. Deze blokfluiten hadden een ander geluid dan de nu meestal gebruikte 'neobarokblokfluiten: een licht hees, rond geluid dat zeer goed mengde, en het zingideaal kon verwezenlijken. Dit zg. zingen op de blokfluit is tot diep in de '60-iger jaren gebruikelijk geweest.

DE BLOKFLUIT VANDAAG
Vandaag is de blokfluit nog altijd belangrijk, vooral als een barok – en een. schoolinstrument. Er zijn o.a. verschillende blokfluitensembles, de belangrijkste hiervan zijn: Praetorius Leiden (het grootste van de reeks),Indigo, Blaes-tuigh, Amarilli, The Fipplers en Ratatouille. En voor de echt liefhebbers zijn er grote evenementen zoals: “Telemann in Dokkum”, “Bach in Dokkum”, “de Open Nederlandse Blokfluitdagen”, “de Blokfluitorkestdag voor de Jeugd” en “het 15de blokfluitfestival”. Net zoals vroeger zijn er nu ook blokfluitisten die experimenteren met nieuwe mogelijkheden voor hun instrument. Daardoor heeft de blokfluit nu een vrij uitgebreid hedendaags repertoire, wat te danken is aan de experimenteerdrang van mensen als Frans Brüggen, Walter van Hauwe en Saskia Coolen. Een wel heel onconventionele figuur in dit experimenteren is Michael Barker. Deze in Nederland woonachtige Amerikaan heeft de midified blockflute, oftewel een blokfluit waarmee hij elektronische klankbronnen kan aansturen en beïnvloeden via de computercode MIDI, ontwikkeld. Hij heeft dus een combinatie van een blokfluit en een synthesizer gemaakt. Natuurlijk zijn er ook hedendaagse componisten die moderne muziek schrijven voor de blokfluit, enkelen hiervan zijn: Makoto Shinohara, Maki Ishii en Ryohei Hirose en Peter Swinnen.








Familie van de blokfluit.
De eenhandsfluit en de Dordrechtfluit.


Deze blokfluiten dateren allebei uit de 12-13de eeuw.
De eenhandsfluit werd vooral door rondreizende muzikanten bespeeld.
Deze speelden dan tegelijk op de fluit, terwijl ze ook nog op een trommel speelden.
Deze fluit had echter wel maar 3 toongaten. Dit nadeel werd echter goedgemaakt door het meespelen met de trommel.

De Dordrechtfluit werd net zoals de eenhandsfluit vooral bespeeld door rondreizende muzikanten, alleen moest deze fluit met 2 handen bespeeld worden. Hierdoor is het echter wel niet mogelijk om ook nog tegelijk op een trommel te spelen. Daarom speelden deze muzikanten meestal met 2.

De Doedelzak
De doedelzak is een dicht familielid van de blokfluit, maar in plaats dat de blokfluit geen enkel riet gebruikt maakt de doedelzak wel gebruik van een enkel of dubbel riet. Ook wordt de lucht in een blokfluit rechtstreeks naar de toongaten geblazen, in een doedelzak wordt daarentegen de lucht vanuit een balg in een aantal van riet voorziene pijpen geperst. Het principe van het luchtreservoir (balg) gaat terug naar het Midden-Oosten. Aangezien de ruimten van de reservoirs te klein waren, ging men ten slotte een leren zak voor dit doel gebruiken. Een of twee van de pijpen waarop een melodie gespeeld kan worden, zijn voorzien van vingergaten; de andere, langere pijpen zonder vingergaten (bourdonpijpen) produceren ieder één toon – grondtoon, kwint of octaaf – en dienen ter begeleiding. De pijpen met vingergaten hebben dezelfde vingerzettingen als een blokfluit.

Het aantal verschillende soorten is enorm. De elementen die kunnen variëren zijn: het aantal speelpijpen (1–3) en bourdons (1–4); het riet, enkel of dubbel; de boring van de pijpen, conisch, cilindrisch of regelmatig.

De doedelzak werd vermoedelijk vanuit Azië geïmporteerd. De Romeinen kenden het instrument reeds vanaf de 1ste eeuw v.C. In de middeleeuwen was het onder verschillende namen over heel Europa verbreid (chevrette, chorus, musa, symphonia). In Groot-Brittannië is de doedelzak een belangrijk instrument in volks- en militaire muziek. Op het continent heeft het instrument nooit zo'n prominentie bereikt, behalve ca. 1700 in Frankrijk, waar het tot het hof doordrong; Lully gebruikte het in het Parijse opera-orkest.

De bekendste landen waar men op de doedelzak speelt zijn:Bulgarije, Frankrijk, Ierland, Italië, Polen, Roemenië, Schotland en Spanje.



De Aulos of dubbelfluit.

Het centrum van de oude Griekse wereld was Athene. De Grieken blonken uit in de architectuur, de beeldhouwkunst, toneel en muziek. Eén van de oudste en bekendste muziekinstrumenten die de Grieken bespeelden was de dubbelfluit of de aulos.
De Grieken geloofden dat de muziek het lichaam en de ziel beter maakte. Zo speelden ze met de aulos over de aangetaste lichaamsdelen van een zieke. De Griekse schrijver Aristoteles schreef :'De aulos is een uitstekend middel om de krankzinnigheid te verdrijven.' Omdat de muziek het karakter van een mens op een goede manier kon vormen was het naast sport één van de belangrijkste vakken op school. Het was belangrijker dan rekenkunde.


De aulos was gemaakt van twee rieten buizen. De muzikant droeg vaak een band rond de mond. Zo werd de druk op de lippen en de wangen wat lichter en werd de mond luchtdicht afgesloten.
De aulos werd voor verschillende gelegenheden gebruikt. Zo liepen Aulosspelers vaak mee in stoeten en speelden ze bij huwelijken of begrafenissen.
Ook in het theater werd de dubbelfluit gebruikt. Ze begeleidden dan toneelspelers die, uitgedost in prachtige gewaden en maskers, dansten en zongen.


De flageolet.


Een ander familielid van de blokfluit is de flageolet. Dit instrument was erg populair in Engeland en Frankrijk, van de 17e tot de 19e eeuw. Het verschil met de blokfluit ontstond in de 18e eeuw toen het mondstuk werd vervangen door een tuit van been of ivoor. De flageolet was voornamelijk een solo-instrument. In orkesten / bands werd hij vaak gebruikt om de hoogste partij te spelen. Er waren twee basistypen: de Engelse flageolet met zes vingergaten, en de Franse met vier vingergaten en twee gaten voor de duimen. Hierboven een plaatje van een flageolet met twee pijpen (dubbele flageolet). Naast de dubbele kwam ook de enkele en de drievoudige flageolet voor.

De panfluit.
Panfluiten bestaan uit een aantal buizen van verschillende lengte die samengevoegd zijn. De buizen, die uit bamboe gemaakt worden, hebben geen gaten voor de vingers en ook de onderkant is dicht. De klank ontstaat door over de bovenkant van de buizen te blazen, het verschil in toonhoogte ontstaat doordat men de buizen een andere lengte gegeven heeft. Panfluiten zijn al meer dan 2000 jaar oud.
Zeer oude exemplaren zijn gevonden in o.a. China, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Peru, naar materiaal en vorm zeer verschillend. De naam 'panfluit' komt uit de Griekse mythologie. Pan was een god die verliefd werd op een nimf. De nimf vluchtte echter, en een andere god die haar beschermde veranderde haar in een stuk riet, zodat Pan haar niet zou kunnen vinden. Pan gebruikte dit stuk riet echter om een 'syrinx' (panfluit) te maken. Hij speelde hierop om zich te troosten.


De tin whistle (ook wel pennywhistle of kortweg whistle genoemd) is een Ierse volksfluit met zes gaten, zonder kleppen. Deze fluit is een heel dichte verwant van de blokfluit, zoals je kunt zien aan de vorm en het bijna identieke aantal toongaten.
Alleen is deze fluit van tin gemaakt i.p.v. hout. Het instrument komt in verschillende groottes voor. Hieronder een tin whistle.





De blokfluit.

Geschiedenis:
Zie p3.
Soorten: De blokfluit bestaat zoals zoveel instrumenten in verschillende soorten. Deze hebben natuurlijk ook verschillende toonhoogtes. Dit komt omdat de lengte van de klankbuis een andere lengte heeft. Hoe groter het instrument, hoe lager de toon. De bekendste 2 zijn de sopraan - en de altblokfluit. Bijvoorbeeld op scholen wordt heel vaak de sopraanblokfluit gebruikt. Deze wordt gebruikt omdat men nog niet zo’n grote vingers nodig heeft en omdat iedereen er wel iets kan op spelen. De altblokfluit is de grotere versie van de sopraan. Hiervoor heb je ook iets grotere vingers nodig omdat de gaten iets verder van elkaar liggen. Naast deze 2 zijn er nog 4 andere blokfluiten die ook nog veel gebruikt worden, de sopranino-, de garklein-, de tenor- en de basblokfluit.De garklein en de sopranino spelen het hoogste van allen. De gewone tenorblokfluit speelt een octaaf lager dan de altblokfluit. Van beide blokfluiten is de laagste toon een F, dus de tenorfluit heeft dezelfde grepen als de altblokfluit. De bas speelt dan nog 1 octaaf lager, hij is ook de grootste.


Houtsoort: Blokfluiten worden eigenlijk al vanaf het begin van hout gemaakt (als je de blokfluiten van bot niet meetelt ). Geschikte houtsoorten zijn pruim, peer, kers en esdoorn. Als je naar de exotische houtsoorten gaat kijken is buxus zeer geliefd. Dat hout is zeer goed luchtdicht, goed bewerkbaar, en geeft een prachtige klank. Het nadeel van buxus is dat de blokfluiten vaak krom worden en het hout is niet in grotere maten verkrijgbaar. Van tropisch hardhout, zoals ebben, palissander en African Blackwood kan een blokfluit worden gemaakt die meestal een hard karakter heeft.Voor het blok moet een andere houtsoort gebruikt worden. Het hout mag maar een heel klein beetje uitzetten als het vochtig wordt, omdat anders de kop van de fluit kan scheuren. Natuurlijk mag het ook niet giftig zijn en moet het zeer glad afgewerkt kunnen worden. Het meest geschikt is virginia ceder, een heel zacht hout met rozerode kleur als het net gesneden is. Jeneverbes kan ook gebruikt worden, maar het is moeilijker om dat glad af te werken.
Bouw: De blokfluit heeft z'n naam gekregen van het zgn. blokje dat in het mondstuk zit. Door dit blokje wordt de lucht gedwongen om door de kernspleet te gaan. Dan komt de lucht bij het labium. Daar gaat de lucht voor een deel naar buiten, de rest gaat trillen in het instrument en er ontstaat geluid. Er zijn acht gaten om de toonhoogte te regelen, 7 aan de voorkant en 1 aan de achterkant (het duimgat). Het kan gebeuren dat een gat half bedekt moet worden. Om dat wat makkelijker te maken, worden er soms op één plaats 2 kleinere gaten vlak naast elkaar geboord, dit gebeurt vaak bij de lage do en re. In plaats van een groot gat half te bedekken, wordt dan 1 van de twee kleinere gaten bedekt. De klank van kleine blokfluiten is doordringend en hoog. De grotere blokfluiten geven een wat zachter geluid.

Muziek: Op de blokfluit kan men vele soorten muziek spelen, maar meestal wordt er barokmuziek op gespeeld. De barok is de tijd tussen 1600 en 1750. De term barok is een achteraf gegeven negatieve benaming voor de periode 1600-1750. Na 1750 wordt de kunst uit de voorgaande periode overdadig en onnatuurlijk gevonden. De muziek vindt men harmonisch verward en melodisch ingewikkeld. Later, in de 19de eeuw, is men anders tegen de Barokmuziek aan gaan kijken en is de negatieve bijbetekenis van de term Barok niet meer van toepassing. De staat in de 17de eeuw was nog steeds een standenmaatschappij, waarbij koning en adel de eerste stand waren, geestelijken de tweede en burgers de derde stand. Maar door de opbloei van de wereldhandel werd de burgerij rijker en steeds beter opgeleid en werd ze dus mondiger. Deze groeiende welstand was één van de oorzaken van het tot bloei komen van een openbaar theater en van het concertleven inde steden, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven. De Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal, monumentale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. In de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies.